I thought it said insult (ation) is sexy
maandag 16 september 2019
De oude grieken konden niet tegen socrates die de waarheid kwam vertellen….de ellendige regeerders vermoordden hem daarom met de gifbeker
Insulation betekent isolatie.

I thought it said insult (ation) is sexy
I thought it said insult (ation) is sexy
zaterdag 14 september 2019
Misschien is alles niet zo zwart wit als de telegraaf en die leugenaars van het OM en de politie en veiligheid en justitie willen laten zien en ons doen geloven en laat iT met artificial intelligence dat nu ook duidelijk zien, dat de grootste criminelen en leugenaars misschien bij het openbare ministerie en de overheid werken
yeah working on iT
Sabine

Sabine

vrijdag 13 september 2019
Onsterfelijke kwal ?
De kwal Turritopsis nutricula heeft een zeer praktische eigenschap: hij doet aan celvernieuwing in tijden van crisis. Zijn cellen kan hij terugbrengen tot hun oorspronkelijke vorm (ook wel ‘poliepfase’ genoemd), waarna zijn groeiproces opnieuw begint. Hierdoor kan dit kleine kwalletje mogelijk oneindig lang leven.

Dit wezentje is voor het eerst ontdekt in de Middellandse Zee in 1883, maar pas in de jaren ’90 werd duidelijk hoe uniek zijn regeneratieproces is. Zijn celvernieuwing werkt als volgt: zodra het leven van de volwassen Turritopsis nutricula bedreigd wordt, bijvoorbeeld vanwege verwonding of honger, hecht hij zich aan een ondergrond in warm water. De meduse van de kwal wordt omgevormd tot een poliep van een nieuwe poliepenkolonie. Dit proces heet celtransdifferentiatie: cellen transformeren in andere cellen. Zo kan een spiercel bijvoorbeeld een zenuwcel worden. In het hele dierenrijk is nog geen diersoort ontdekt met zo’n transformatiepotentie.
Mondiaal verwantschapEr zijn inmiddels meer kwallen ontdekt in Japan, Spanje en Panama, aan de kant van de Atlantische Oceaan, die genetisch verwant zijn aan de Turritopsis. Deze locaties zijn ver verwijderd van het oorspronkelijke habitat in het Caraïbisch gebied: onderzoekers verwachten dat de diertjes zijn verspreid door het ballastwater van vrachtschepen. De kwalletjes blijken zich aan te passen aan hun nieuwe omgeving. Zo hebben exemplaren in tropische wateren soms acht tentakels terwijl de kwallen in gematigde temperaturen wel vierentwintig of meer tentakels hebben.
Het eeuwige levenToch kan de Turritopsis nutricula wel degelijk sterven: de regeneratie werkt namelijk alleen bij volwassen exemplaren. Ziekte of hongerige roofdieren worden jonge kwallen wel fataal, maar er is geen ander dier bekend met deze hoge kans op biologische onsterfelijkheid. Daarom bestuderen wetenschappers de kwal uitgebreid, in de hoop hun bevindingen toe te kunnen passen bij menselijke ouderdom en ziekten.
Bronnen: MNN, Wikipedia ©PiepVandaag.nl
"Volgens de regels had rita Verdonk gelijk," zei papegaai barbara gvd en toen wist ik hoe fout ze was~is, ja volgens de regels zijn de joden naar westerbork en auschwitz op de trein gezet en omdat er inmiddels 100.000 op de trein zijn gezet is het oneerlijk ten aanzien van die andere over gebleven 20.000 joden, dus die moeten nu ook op de ns trein gezet worden, dat is volgens de regels denken, volgens de regels is het groen dus die vrachtwagen heeft ongelijk, ik steek over, ik heb gelijk en sta in mijn recht volgens de regels, maar die vrachtwagen rijdt door en jij bent dood of erger de rest van je leven gehandicapt "het stond toch groen !?" dat zit er zo ontzettend scheef aan, maar dat zie je niet want jij leeft alleen maar in dat domme hoofd van je waarmee uiteindelijk iedereen een levenloze barbie pop wordt omdat de 10% rotste appelen zoals rita verdonk bij het openbare ministerie gaan werken als de lege holle domme law and order wijven die ze zijn, ze kunnen niets anders dan leeg, hol en dom voor zich uit staren de hele dag en die leegte vullen met rechtse kletspraatjes van regels zijn regels en de fabrieksschoorsteen moet roken
Niels Bohr
Niels Henrik David Bohr (Kopenhagen, 7 oktober 1885 – aldaar, 18 november 1962) was een Deens theoretisch natuurkundigeen theoretisch scheikundige. In 1922 ontving hij de Nobelprijs voor de Natuurkunde.
Niels Bohr wordt algemeen gezien als een van de grondleggers van de atoomfysica. Waar Ernest Rutherford als groot experimentator veel over de interne opbouw van het atoom ontdekte, was het de grote verdienste van Bohr om een theoretische grondslag voor dit nieuwe atoommodel te formuleren, waarmee hij tevens een grote bijdrage leverde aan de meest spraakmakende tak van fysica in de 20e eeuw: de kwantummechanica.
Inhoud
Levensloop[bewerken]
Niels Bohr werd geboren in een statig herenhuis van zijn moeders grootmoeder, een vrouw uit een rijke joodse bankiersfamilie. Hij was een zoon van Christian Bohr, hoogleraar fysiologie aan de Universiteit van Kopenhagen, en Ellen Adler. Hij had een oudere zus, Jenny en een jongere broer, Harald Bohr, een Deens wiskundige en voetballer.
Vroege jeugd[bewerken]
Het hechte gezin waarin Bohr opgroeide was beschaafd en intellectueel, en niet godsdienstig. Niels genoot zijn basis- en voortgezette opleiding aan de Gammelholmschool in Kopenhagen. Hoewel hij een vlijtig scholier was werd hij op school overschaduwd door zijn jongere broer Harald, die later wiskundige zou worden. Daarnaast waren beide broers uitstekende voetballers, waarbij Harald zelfs voetbalde in het Deense elftal dat zilver won in 1908 bij de Olympische Spelen in Londen.
In 1903 ging de atheïst Bohr (die religieus denken schadelijk en misleidend vond) studeren aan de universiteit van Kopenhagen met fysica als hoofdvak. Zijn leermeesters waren Christian Christiansen, hoogleraar experimentele en theoretische natuurkunde, en Harold Høffding, hoogleraar filosofie. Beide hoogleraren kende Bohr al doordat ze tot de vriendenkring behoorden van zijn vader. In 1907 won hij een gouden medaille van de Koninklijke Deense Academie van Wetenschappen en Letteren met een manuscript over metingen van de oppervlaktespanning van water. Doordat de universiteit niet beschikte over een natuurkundig laboratorium moest Bohr zijn experimenten uitvoeren in het fysiologisch laboratorium van zijn vader.
Zijn winnend manuscript werd in 1908 gepubliceerd in Transactions van de Royal Society. De ervaring die hij opdeed over dit onderwerp zouden later terugkomen in zijn theorie over het druppelmodel van de atoomkern. In 1911 promoveerde hij op het proefschrift: Studies over de elektronentheorie van metalen. In hetzelfde jaar overleed zijn vader.
Manchester[bewerken]
Na zijn promotie ontving Bohr van de Carlsbergstichting – gefinancierd door de Deense bierbrouwerij Carlsberg – een studiebeurs om in het buitenland te studeren. Om zich verder te verdiepen in de elektronentheorie besloot Bohr naar Engeland te gaan om daar samen te werken met Joseph John Thomson, een autoriteit op dit gebied. De samenwerking verliep echter stroef, mede doordat Thomson eerder een punt had gezet achter zijn elektronenstudies en niet erg bereidwillig was om Bohrs vragen hierover te beantwoorden.
Bohr zocht naar een uitweg en die vond hij toen hij kennismaakte met Ernest Rutherford, een Nieuw-Zeelandse natuurkundige die juist de ware aard van het atoommodel had gevonden. Hij volgde Rutherford naar de universiteit van Manchester, waar hij zich aansloot bij diens onderzoeksteam. Gedurende zijn studie had hij kennisgemaakt met de kwantumtheorie, die ontwikkeld was door Albert Einstein en Max Planck. Deze theorie gebruikte hij om zijn eigen theorieën over de atoomstructuur verder uit te werken en de fouten te corrigeren die hij waarnam in Rutherfords model. Net als Rutherford was hij ervan overtuigd dat elektronen om de kern cirkelden, maar volgens hem namen deze banen de vorm aan van een aantal vaste 'schillen' waarin de elektronen volgens kwantumregels bewogen.
Na zes maanden verliet hij Manchester en keerde terug naar Kopenhagen waar hij een baan kreeg als assistent-hoogleraar natuurkunde aan de universiteit van Kopenhagen. Hij werd verwelkomd door zijn verloofde Margrethe Nørlung met wie hij op 1 augustus 1912 in het huwelijk trad. Zij kregen samen zes kinderen: Christian, Harald, Aage, Hans, Erik en Ernest. Christian komt in 1934 om het leven bij een ongeluk op Chita, de boot van zijn vader. Harald, niet te verwarren met Harald Bohr, de broer van Niels Bohr, overlijdt op jonge leeftijd aan hersenvliesontsteking.
In 1913 werd hij hoofddocent aan de universiteit. In 1914, tijdens de Eerste Wereldoorlog, kreeg Bohr een aanstelling door Rutherford aangeboden als lector bij Victoria University in Manchester. Samen met zijn vrouw ondernam hij de gevaarlijke reis over de Noordzee. Het lectorschap gaf hem de tijd om zijn onderzoek voort te zetten. Na twee jaar keerde Bohr terug naar Denemarken, waar hij de positie aanvaardde van hoogleraar in de theoretische natuurkunde aan de universiteit – een leerstoel die speciaal voor hem was gecreëerd. Ook werd hij verkozen tot lid van de Koninklijke Deense Academie van Wetenschappen.
Tweede Wereldoorlog[bewerken]
Bohr had in september 1941 in het door nazi-Duitsland bezette Kopenhagen een ontmoeting met zijn voormalige student en tevens persoonlijke vriend Werner Heisenberg. Over de inhoud van die ontmoeting bestaan twee lezingen. De ene is die van Bohr, die geschokt was omdat Heisenberg zonder morele bezwaren meewerkte aan een Duitse atoombom. Heisenberg deed er naar zijn zeggen juist alles aan om dat project te vertragen.
In 1943 lekte uit dat alle Joden in Kopenhagen opgepakt zouden worden. Bohr, die van moederszijde van Joodse origine was, wist, net als de meeste Joden in Denemarken, in een vissersboot naar Zweden te ontsnappen. Daarna ging hij samen met zijn zoon Aage naar de Verenigde Staten. Daar sloot hij zich aan bij het Manhattanproject. Hij werkte voor de rest van de oorlog mee aan de Amerikaanse atoombom.
Laatste jaren en vernoemingen[bewerken]
In augustus 1945 kon Bohr terugkeren naar Denemarken. In de jaren 1950 engageerde hij zich in politiek opzicht en sprak hij zich uit voor meer openheid tussen 'Oost' en 'West', gezien de nucleaire wapenwedloop die in zijn tijd op gang kwam, zowel op aarde als, vanaf 1957, in de ruimte. In 1955 organiseerde Bohr in Genève de conferentie Atoms for Peace (Atomen voor Vrede). Op 24 oktober 1957 ontving hij hiervoor de allereerste Atoms for Peace Award.
In 1952 werd Bohr de eerste directeur van de theoretische afdeling van CERN, dat aanvankelijk in Kopenhagen was gevestigd. Tevens stond hij aan de wieg van de nucleaire geneeskunde. Ook was hij in 1921 instrumenteel in de oprichting van het Instituut voor Theoretische Fysica in Kopenhagen. Onder zijn leiding zou het instituut uitgroeien tot een van 's werelds belangrijkste onderzoekscentra van die tijd. Na zijn overlijden volgde zijn zoon Aage hem in 1963 op als directeur. Op 7 oktober 1985, de honderdste geboortedag van Bohr, werd officieel het Niels Bohr-instituut in Kopenhagen geopend, een resultaat van een fusie van een flink aantal Kopenhaagse wetenschappelijke instellingen, waaronder het Instituut voor Theoretische Fysica. Het Niels Bohr-instituut beheert onder meer het Niels Bohr-archief.
Werk[bewerken]
Atoommodel[bewerken]
Twee jaar nadat Rutherford zijn atoomtheorie bekend had gemaakt voltooide Bohr in Kopenhagen zijn kwantummodel van het Bohr-atoommodel. In 1913 publiceerde hij in het Philosophical Magazine het werk “On the Constitution of Atoms and Molecules”.[1] Hierin beschreef hij dat de banen van elektronen om de atoomkern gekwantificeerd zijn. Deze banen worden gekenmerkt door gedefinieerde waardes, namelijk ℎ/2π, 2ℎ/2π, 3ℎ/2π etc. (waarbij ℎ de constante van Planck is).
Verder postuleerde hij dat de emissie van licht optreedt wanneer een elektron zich verplaatst van een hogere energiebaan naar een lagere; absorptie zorgt voor het tegengestelde effect. De energie die hierbij vrijkomt (in de vorm van een foton) is ℎν, met ν de frequentie van de uitgezonden golf. Op deze wijze kon hij de atoomspectra – exacte frequenties van lichtkwanta – van waterstof verklaren.
In 1918 publiceerde hij de verhandeling Over de kwantumtheorie van spectraallijnen, waarin hij het correspondentieprincipe beschreef. Dit principe moest de kloof overbruggen tussen de klassieke natuurkunde en de kwantummechanica. Het correspondentieprincipe eist dat voor grote kwantumgetallen de beschrijving van de verschijnselen moeten overgaan in de klassieke theorie onder omstandigheden waarin het effect van de constante van Planck te verwaarlozen is.
Bohr had (indirect) ook een belangrijke rol in de ontdekking en exploitatie van kernsplijting. Zijn druppelmodel van de atoomkern, in 1936 gepubliceerd, verschafte voor Lise Meitner en Otto Frisch de basis voor de theoretische verklaring over hoe kernsplijting tot stand komt. Verder deed Bohr in 1939 de suggestie dat kernsplijting eerder zou optreden in het zeldzamere uranium-235 dan in het veel voorkomende uranium-238. De ontdekking van kernsplijting leidde ertoe dat andere wetenschappers aan Einstein vroegen een waarschuwingsbrief op te stellen voor de Amerikaanse president Roosevelt, wat uiteindelijk leidde tot het Manhattanproject.
Kopenhaagse interpretatie[bewerken]
Bohr bevorderde de formulering van een nieuwe filosofische en wiskundige benadering en beschrijving van de structuur van het atoom en de atoomkern en andere gerelateerde gebieden van de kwantumfysica. Dit noemt men de Kopenhaagse interpretatie (CHI) van de kwantummechanica. Kort samengevat: de waarnemer van een experiment vormt samen met dit experiment een enkel systeem. De waarnemer oefent een non-lokale invloed uit op de kwantumwereld, die volgens de tot dan toe gangbare opvattingen volstrekt ongerijmd was. Elementaire deeltjes kunnen spontaan verschijnen en verdwijnen, sneller dan de lichtsnelheid informatie uitwisselen en nog meer vreemd gedrag vertonen.
Voortvloeiend uit de Kopenhaagse interpretatie introduceerde Bohr in 1927 – op een conferentie in het Italiaanse Como ter ere van de honderdjarige sterfdag van Alessandro Volta – zijn complementariteitsprincipe, een belangrijke conceptuele bijdrage aan de kwantummechanica. Het complementariteitsprincipe houdt in dat kwantummechanische verschijnselen zowel een deeltjes- als een golfkarakter kunnen vertonen, maar nooit beide tegelijkertijd.
Samen met onder andere de jonge Werner Heisenberg, die bij hem studeerde, stelde hij in de jaren 20 deze theorie op. Bohrs collega Albert Einstein had ernstige bezwaren tegen deze 'zweverige' theorie en hij voerde met Bohr de rest van zijn leven verhitte debatten over deze kwestie. Deze controverse bereikte in 1935 een hoogtepunt in de formulering van de Einstein-Podolsky-Rosen-paradox waarbij Einstein de absurditeit van Bohrs Kopenhaagse interpretatie van de kwantummechanica probeerde aan te tonen. Tegenwoordig wordt de Kopenhaagse interpretatie echter als bewezen beschouwd en heeft niet Einstein maar Bohr volgens de meeste natuurkundigen het gelijk aan zijn kant. In 1923 ontving hij de Matteucci Medal, in 1938 de Copley Medal.
Trivia[bewerken]
- Het toneelstuk Kopenhagen van de Engelse toneelschrijver Michael Frayn is gebaseerd op de ontmoeting tussen Heisenberg en Bohr in bezet Kopenhagen in 1941. In de Nederlandse versie van dit toneelstuk werd de rol van Bohr gespeeld door Bram van der Vlugt.
- Niels Bohr vroeg eens aan Pauli, toen deze een nieuwe theorie presenteerde: "We zijn het er allemaal over eens dat uw theorie gek is. Maar is ze gek genoeg om waar te kunnen zijn?"
- De Bohrstraal a0 is een atomaire lengteschaal, die ongeveer overeenkomt met 5,292 × 10−11 meter.
- Bohrs zoon Aage was eveneens natuurkundige en ontving in 1975 de Nobelprijs voor de Natuurkunde.
- Het element bohrium (een transuraan, niet te verwarren met borium) is naar Niels Bohr genoemd als eerbetoon.
- Niels Bohr werd in 1947 door de Deense Koning onderscheiden met de exclusieve Orde van de Olifant – de hoogste eer in Denemarken – en koos als wapenschild, de wapenborden van de ridders worden in de kapel van de orde opgehangen, een Aziatisch thema: Yin en Yang, met het devies Contraria sunt complementa (tegenstellingen zijn complementair).
- Niels Bohr had een hekel aan schrijven en dicteerde zijn belangrijkste werken aan zijn vrouw.
Zie ook[bewerken]
Externe links[bewerken]
|
Commons heeft mediabestanden in de categorie Niels Bohr.
|
Bronnen, noten en/of referenties
|
Kijk, kijk
Het feest of nachtmerrie der herkenning.
In coda venenum: verleden en heden door Gerrit Komrij.
H.Pont, de vice-voorzitter van de Abva-Kabo, vergeleek de houding van het kabinet-Lubbers met het gedrag van een autistisch kind. “Net als zo’n kind sluiten de ministers zich volledig af voor de buitenwereld. Wat er ook gebeurt, lief en leed, het maakt op het kind Lubbers geen enkele indruk,” zei hij. Een treffende vergelijking. Misschien wel de treffendste die ik in tijden heb gehoord. Want het gaat niet alleen op voor de houding van het kabinet jegens de ambtenarenbonden, het kenschetst dit kabinet tout court. “Het is een ongeneeslijke ziekte,” voegde de heer Pont er, op de vraag naar een eventuele therapie, aan toe.
Overgeleverd aan waandenkbeelden, zonder belangstelling voor de werkelijkheid, sociaal gestoord en slechts in uitzonderingsgevallen in staat bepaalde, meestal technische, vaardigheden te ontwikkelen: zie daar het portret van een autistisch kind. Ziedaar het portret van een onherstelbaar zieke regering. Wat het kabinet Lubbers tot een verzameling autistische kinderen maakt is zijn algehele doof-, blind- en gevoelloosheid voor democratie, sociale onrust en verpaupering, zowel geestelijk als materieel. Het zijn niet alleen de ambtenarenbonden die zich roeren, er is overal verzet hoorbaar. Niet alleen het huisvuil groeit in tal en last, ook het aantal menselijke zwakken neemt zienderogen toe. Iedereen voelt de gevolgen van een cijfermatig, slechts in technisch opzicht, begaafd beleid. Het parlement is grotendeels een lachwekkende parade van ja-knikkers en blindgangers geworden. De apathie, domheid en rancune van de spiegelende bevolking ten opzichte van het politieke bedrijf uiten zich steeds huiveringwekkender, de steden wemelen van de uitgeholden en de aangevretenen, het land verzuurt, het onderwijs lijkt verwoest, maar elk signaal, elk voorstel, elke suggestie, elke roep verdwijnt in de leegte.
De verloedering van democratie, waarde(n), mensen – niets deert dit kabinet. Een contract over een peperduur gevechtsvliegtuig jointje, de jsf, afsluiten, dat kunnen ze. Hebben wij effe fijn onze Nederlandse wapenindustrie bevoordeeld ! Op de lange termijn wordt er weer een commissie ingesteld naar de kosten en het uit de hand lopen daarvan van de jsf.
Iedere menselijke betrokkenheid, iedere hartelijkheid, iedere zorg, ieder dieper inzicht is ze vreemd. De belevingsarmoede regeert. Op de treurbuis zag ik een interview met Ruding, die minister van financiën bleek te zijn. Hoogst aangrijpend. Hij praatte in zichzelf. Je kon geen moment zijn ogen zien. Niets duidde erop dat een vraag of probleem tot hem doordrong. Als een interviewer hem in a-taal iets voorlegde ging hij in b-taal verder. Geconfronteerd met hart en hersens sloeg hij aan het hoofdrekenen. Er viel niets menselijks aan hem te bespeuren. We kennen de uitdrukkingloze haaienogen van Brinkman, het metaalachtige stemgeluid van Smit-Kroes.
Tijdens de TCR affaire werd aan de Minister van Justitie doorgegeven dat er telefoontaps waren aangebracht bij Tanker Cleaning Rotterdam. De grootste criminelen runnen dat bedrijf (hoeren/mensenhandel uit Brazilië, (belasting) fraude, ik vermoed dat elk misdrijf in ons Wetboek van Starfrecht in dat bedrijf gepleegd werd). Neelie Smit Kroes was erg goed bevriend met de leiding en er werden meteen geen telefoontjes meer gepleegd, zodra Neelie door haar collega van justitie geïnfomeerd werd. Nu zit ze een aantal jaar in de gouden kooi van 450.000 EUR netto per jaar bij de Europese Commissie.
In het kabinet zit een nieuwe generatie met een uitgerukt hart. Zielloze telramen. Wat leeftijd betreft zijn het snotneuzen. Ongetwijfeld staat hun nog een carrire in het bedrijfsleven te wachten. Intussen mogen ze oefenen in de maatschappij. Geestelijke snotneuzen, zonder geheugen en zonder voornemens. Hun wereldbeeld heeft het formaat van een bankbiljet.
DRAGHI GOES OUT WITH A BANG

by THE MOLESEPTEMBER 13, 2019
woensdag 11 september 2019
Wat ik ook nog niet begrijp, de ster alpha centauri staat op 4 lichtjaar en de ster Sirius op 8 lichtjaar, waarom zijn die dan niet zichtbaar vanaf de maan ? Omdat je aan de verlicht(t)e -het is verlichte- kant van de maan staat en omdat er sprake is van een andere tijdsdimensie, zodra je 30.000 kilometer van de aarde verwijderd bent, de eeuwige duisternis en niet meer die van de aarde. Ja, maar toch nog wel de tijdsdimensie van onze zon, als je onze zon kunt zien, dan moet je ook Sirius en alpha centauri nog kunnen zien
Nee, zodra je van de aarde af bent, op 30.000 kilometer, geldt de andere tijdsdimensie van de eeuwigheid in de ruimte en niet meer die 1 dagsvlieg van 43 miljard jaar van ons melkwegstelsel of de Andromeda nevel.
Eeuwige duisternis is er voor altijd, de melkwegstelsels zin er tijdelijk als 1 dagsvlieg op de eeuwigheid. 43 miljard jaar is 4,3 secondes op of in de eeuwigheid. En wat is er dan met de aarde en de zon en jupiter (gecomprimeerde gasplaneet) en saturnus gebeurd ? Ashes to ashes, dust to dust. Zouden er nu ook nog planeten zonder zonnen bestaan ? Volgens mij moet je een ster met planeten als een stelsel zien dat bij elkaar hoort. Tegelijkertijd is 1 maan, de grootste die bij de aarde stond, ook door 1 of andere apophis of zo vernietigd, 760 miljoen jaar geleden. Dat is nu een stofwolk, dust to dust.
Ik vermoed nu dat er in de oneindige ruimte telkens nieuwe little bangs zijn met nieuwe melkwegstelsels of Andromeda nevels met een zwart gat in het midden, en dat we mogelijk aan de andere kant van het zwarte gat leven op aarde, there’s so much that we don’t know.
Ik hoorde eergisteren woedende mensen naar me schreeuwen in mijn straat. Ik ben telegraaf met eerlijke, soms te eerlijke taal, soms kinderachtige taal, soms gescheld. Niet lezen als je dr niet tegen kunt of daar te gelovig in een/deze achterlijke tijd voor bent,
het is niet te geloven,
het is waar dat "prins Benard" een narcistische nazi is die onderdanig aan hitler vroeg of hij gouverneur van onder andere Nederland (en België, Luxemburg, Tsjechië en Indonesië) mocht worden, maar hitler vond prins Benard een lege charlatan.
Ik hoorde eergisteren woedende mensen naar me schreeuwen in mijn straat. Ik ben telegraaf met eerlijke, soms te eerlijke taal, soms kinderachtige taal, soms gescheld. Niet lezen als je dr niet tegen kunt of daar te gelovig in een/deze achterlijke tijd voor bent,
het is niet te geloven,
het is waar dat "prins Benard" een narcistische nazi is die onderdanig aan hitler vroeg of hij gouverneur van onder andere Nederland (en België, Luxemburg, Tsjechië en Indonesië) mocht worden, maar hitler vond prins Benard een lege charlatan.
WE ZITTEN ZO GEVANGEN IN DIE DOMME KOEIEKOPPEN en dan maar beaat in de kerk zitten of in een pseudo rechtszaal rechtertje spelen, dan wel ambtenaar in een of andere maffe toren met een muts als minister (dienaar), met "organisaties" als het leger (angst voor het niets, terechte angst voor poetin), politie (angst voor me bezit, private property created crime, je bent bezeten door je bezit, want je bezit niets, je bent hier op planeet aarde maximaal 130 jaar, ervoor was er niets, ja, wel, je ouders, generaties terug), het cbr en het openbaar ministerie onder andere die veel wat ze verkeerd kunnen doen verkeerd zullen doen, gebaseerd op mammon principes en dan is het bedrijfsleven vaak net nog iets beroerder qua eenzijdig geld verdienen en spastisch als oerang oetan op de borst kloppen gedrag, er werd 90% overeenkomst gevonden tussen een mafia leider, godfather, en de leiding van een bedrijf..ministerie..overheid..land..hitler..poetin
dinsdag 10 september 2019
vrijdag 6 september 2019
Nooit meer snurken by wim suurbier & eline would like to mudre murder poetin.....
Nooit meer slapen (roman)
Nooit meer slapen
| ||||
| Auteur(s) | Willem Frederik Hermans | |||
| Land | Nederland | |||
| Taal | Nederlands | |||
| Onderwerp | geologische expeditie naar meteorietkraters in het uiterste noorden van Noorwegen | |||
| Genre | Psychologische roman, Filosofische roman, avonturenroman | |||
| Uitgever | De Bezige Bij | |||
| Uitgegeven | 1966 | |||
| Pagina's | 256 | |||
| ISBN-code | 90 234 0173 5 | |||
| ||||
Nooit meer slapen is een in 1966 gepubliceerde roman van Willem Frederik Hermans over een wetenschappelijke expeditie naar Noors Lapland. De jonge geoloog Alfred Issendorf neemt deel aan een geologische expeditie waarmee hij meteorietenhoopt te vinden in Finnmark, een onherbergzaam gebied dat zo noordelijk gelegen is dat 's zomers de zon niet ondergaat. Na onenigheid over de te volgen richting verongelukt zijn reisgenoot Arne, waarna Alfred erin slaagt de weg naar de bewoonde wereld terug te vinden. Reeds kort na verschijnen werd het boek in brede kring als een meesterwerk beschouwd.[1]
De roman is gebaseerd op expedities van de auteur door Zweden en Noorwegen, maar autobiografische betrouwbaarheid was niet het doel: de personages zijn twintig jaar jonger dan de werkelijke en ook vielen er in het echt geen doden.
De vele publicaties die aan de roman gewijd zijn belichten vooral de vertelsituatie in reportagestijl, de cyclische structuur, de allusies aan (klassieke) mythologie en de functie van de psychologische theorie over de historische ontwikkeling van het zelfbeeld van de mens. Volgens literatuurhistoricus Hugo Brems verwerkelijkte Hermans met dit werk 'ten volle zijn ideaal van een klassieke roman. Er is eenheid van handeling, alle gebeurtenissen zijn doelgericht en ondersteunen het pessimistische thema.'[2]
Het boek werd in 1966 bekroond met de Vijverbergprijs, maar Hermans heeft deze toen niet aanvaard. Het werk is vertaald in onder meer het Noors, Zweeds, Duits, Spaans en Engels. Op 27 januari 2016 ging de Engelstalige verfilming Beyond Sleep in première als opening van het Filmfestival Rotterdam.
Inhoud[bewerken]
Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.
Alfred Issendorf is een 25-jarige student geologie die een expeditie naar Noors Lapland (Finnmarken) onderneemt voor zijn promotieonderzoek. Doel van het onderzoek en zijn voettocht is om de hypothese van zijn promotor, professor Sibbelee, te bewijzen, die inhoudt dat de ronde gaten die ter plekke overal in de bodem te vinden zijn, veroorzaakt zijn door meteorietinslagen. De persoonlijke motivatie van Alfred ligt in het verlangen met een ontdekking zijn overleden vader, een bioloog, te overtreffen.
Alfred bezoekt de 84-jarige professor Ørnulf Nummedal van het geologisch instituut te Oslo omdat luchtfoto's van het gebied dat hij gaat onderzoeken voor hem klaar zouden liggen. Hoewel Alfred bij hem is aanbevolen door zijn promotor Sibbelee, weet Nummedal, die Alfred in het Duits te woord staat, nergens van. Bovendien herinnert Nummedal zich de dertig jaar jongere Sibbelee vooral als iemand die het lang geleden met hem oneens was. Nummedal wijst erop dat Nederland voor geologisch onderzoek te klein is, waarop Alfred tegenwerpt dat de bodem gevarieerd is. 'Dat verbeeldt men zich bij u, omdat er op iedere vierkante meter een geoloog staat met een microscoop.' Nummedal meent dat in Nederland nog eens alle zandkorrels geteld zullen worden, maar dat is geen wetenschap meer: 'Wetenschap is de titanische poging van het menselijk intellect zich uit zijn kosmische isolement te verlossen door te begrijpen!' De luchtfoto's zouden bij de geologische dienst in Trondheim zijn. Wel neemt de vrijwel blinde professor Alfred mee op excursie langs lokale geologische verschijnselen, en ook moet hij absoluut de Noorse specialiteit gravlaks proeven. De geologische verschijnselen hebben niets met zijn onderzoek te maken en de gravlaks is helaas uitverkocht. Alfred verneemt van Nummedal, die zich laat ontvallen niet te begrijpen wat Nederlanders met hun kleigrond in de geologie te zoeken hebben, dat Sibbelee in zijn jonge jaren heeft geprobeerd een theorie van Nummedal te ontkrachten.
Bij de geologische dienst blijkt men midden in een verhuizing naar een gloednieuw pand. Er moeten wel ergens luchtfoto's opgeslagen liggen, maar iedereen is druk met de verhuizing, en niemand zou kunnen zeggen welke luchtfoto's waar te vinden zijn. Zijn mededeling door professor Nummedal gestuurd te zijn maakt geen indruk: Nummedal is een oude man die niet meer serieus wordt genomen. Alfred reist zonder luchtfoto's door naar het expeditiegebied.
Daar voegt hij zich bij zijn drie Noorse expeditiegenoten, eveneens promovendi, van wie hij er een, Arne Jordal, al kent van een eerdere expeditie. Deze zoon van een rijke vader legt zichzelf materiële beperkingen op. Qvigstadt en Mikkelsen zijn oudere, goed uitgeruste en zelfbewuste figuren. De expeditie is een lange voettocht over de Laplandse toendra, een heide- en moerasachtig gebied met grote hoogteverschillen. Alfred merkt dat hij zijn collega's nauwelijks kan bijhouden door gebrek aan training, en de altijd aanwezige muggen houden hem uit de slaap. Zonder luchtfoto's kan hij de gaten die hij moet onderzoeken niet eens vinden. Als Arne van zijn onderzoeksonderwerp hoort, schrikt hij: dat is die idiote hypothese waar Sibbelee al twintig jaar de risee van de geologie mee is. Nu voelt Alfred zich totaal belachelijk.
Wanneer Mikkelsen de luchtfoto’s in zijn bezit blijkt te hebben, wakkert deze constatering niet alleen Alfreds gevoelens van onzekerheid aan, maar ook diens achterdocht. Hij vraagt zich af of Nummedal zijn onderzoek soms met opzet probeert te dwarsbomen. Mikkelsen laat hem de luchtfoto's zien, en daarop ziet Alfred meteen dat er voor meteorietinslagen geen enkele aanwijzing te vinden is. Hij kan het wel opgeven. Hij realiseert zich dat geoloog-worden hem eigenlijk helemaal niet interesseert: het is niet zijn eigen droom, maar die van zijn moeder, die hij verafschuwt.
Het gezelschap splitst zich en Alfred gaat alleen met Arne verder. Na onenigheid over de te volgen richting raakt hij Arne kwijt. Als ook zijn kompas in een rotsspleet valt, weet Alfred niet waar hij is of naartoe moet om Arne terug te vinden. Dan merkt hij dat het hem toch lukt zijn weg te vinden, vooruit te komen en in leven te blijven, door vis te vangen en rauw op te eten. Zijn zelfvertrouwen keert terug. Later vindt hij Arne inderdaad, maar die blijkt verongelukt. Kennelijk uitgegleden, heeft hij in een ravijn de dood gevonden.
Alfred gaat te voet terug naar de bewoonde wereld, waar hij totaal uitgeput aankomt, om Arnes lichaam te laten ophalen. Terug in de bus ziet hij een lichtflits en hoort een harde klap. Het is de inslag van een meteoriet, maar hij heeft er geen enkele belangstelling voor. Wanneer Alfred thuis is heeft zijn moeder een verrassing voor hem: een stel manchetknopen, gemaakt uit een doorgesneden meteoriet, een cadeau dat Alfreds vader hem voor zijn zevende verjaardag had willen geven.
Autobiografische achtergrond[bewerken]
In juli-augustus 1960 woonde Hermans in Stockholm het negentiende Internationaal Geografisch Congres bij en daaraan voorafgaand in Abisko (Noord-Zweden) een aardrijkskundig symposium over 'glaciale morfologie en periglaciale processen'.[3] Op dit congres maakte hij kennis met de vier jaar jongere Torbjørn Fjellang (op wie Alfreds gids Arne Jordahl is gebaseerd), met wie hij een kamer deelde.
In juli en augustus 1961 trok Hermans met onder meer Fjellang op studiereis door Finnmark in Noorwegen. Deze tocht vormt de basis voor de roman. Op 8 juli kwamen Hermans en Fjellang aan in Skoganvarre, waar hun twee reisgenoten Harald Skålvoll (die model stond voor Qvigstadt) en Per Akselsen (Mikkelsen) al enkele dagen verbleven. Skålvoll en Tjellang hadden deze tocht samen al eerder gemaakt, terwijl Akselsen, die geologie studeerde, de assistent van Skålvoll was.[4] Het viertal maakte drie tochten. De langste, aldus Fjellang, 'was van 8 tot 18 juli van Skoganvarre via het Lievnasjavrre (Lievnas-meer), de Vuorje en de Rævokløften naar Ravnastua en Assebakte, en vervolgens over het water naar Karasjok. Een afstand van ongeveer honderdvijftig kilometer. Per dag liepen we gemiddeld vijftien kilometer met zware bepakking: rugzakken, slaapzakken, tent, voedsel en instrumenten. Later liepen we nog vijf dagen in het Kautokeino-district en tot slot nog vier dagen in het Solovomi-gebied ten zuiden van Alta.'[5] Hermans had aanvankelijk moeite de anderen bij te houden: 'Het was duidelijk dat hij niet gewend was om in deze terreinomstandigheden te lopen met zware bepakking,' aldus Skålvoll. 'Bij het oversteken van een van de riviertjes is hij zelfs gevallen, maar gelukkig raakte hij niet gewond.'[6] Net als in de roman bestond het gezelschap ook in werkelijkheid uit twee duo's: Fjellang en Hermans beklommen de Vuorje, de andere twee niet. Wel bezochten ze alle vier de Rævo-kløften (het kloofdal uit hoofdstuk 34 van de roman), terwijl in de roman Alfred en Arne zich dan al van Qvigstadt en Mikkelsen afgesplitst hebben.[4] Tijdens de expeditie beschikte Skålvoll over luchtfoto's, hem ter beschikking gesteld door de Noorse Geologische Dienst te Trondheim, de Norges Geologiske Undersøkelse (NGU). De directeur heette Hvalheim (in de roman Hvalbiff).[7]
Na deze drie tochten, waarbij het veldwerk glaciale afzettingen en glaciale erosie tot onderwerp had, trok Hermans in zijn eentje nog verder, vermoedelijk naar de Noordkaap en dan via Bergen en het bergachtige zuiden naar Asker.[8] Hij meldde zich halverwege augustus weer bij Fjellang thuis. De beschrijving van de tochten in de roman, zoals de muggen, beantwoordt volgens Fjellang in hoge mate aan de werkelijkheid. Ook het Noorse meisje Inger-Marie dat voor Alfred het dagboek van Arne vertaalt is niet verzonnen.[9]
Tijdens het Zweedse congres uit 1960 maakte Hermans ook kennis met de Amerikaanse fotograaf en bergbeklimmer Barry C. Bishop, die drie jaar later, in 1963, de Mount Everest zou beklimmen. Na de terugtocht moesten zijn pinken en enkele tenen geamputeerd worden. Bishop stond model voor Brandel die in de roman ter sprake komt.[10]
Ondanks de treffende overeenkomsten is het verhaal dat zich in dit decor afspeelt in essentie verzonnen. In 1974 schreef Hermans aan Fjellang:
| "The story in the book is entirely ficticious—the characters are fifteen years younger than we were in 1961.[9]" |
Volgens Skålvoll, in wiens herinneringen Hermans voortleeft als een aardige man met veel humor, zijn er in werkelijkheid tijdens de expeditie geen uitgebreide filosofische gesprekken gevoerd zoals in de roman en ook is er geen dode gevallen. Evenmin is er na het vertrek van Hermans een meteoriet ingeslagen in Finnmark.[11]
De talrijke verwijzingen naar de Noorse mythologie in de roman zijn allemaal afkomstig uit: H. Hveberg, Of Gods and Giants. Norse Mythology (1962).[13]
Schrijfstijl[bewerken]
Het reportagekarakter van de roman blijkt uit de pregnante formuleringen in korte zinnetjes met weinig komma's. Maar beschouwingen over bepaalde onderwerpen zijn in een 'gebruikelijker, meer coherente stijl gesteld', terwijl veel beschrijvingen ironisch zijn. De vele witregels geven vaak, maar lang niet altijd een sprong in het tijdsverloop aan en zijn vergelijkbaar met het wisselen van camerashot in een film.[14]
Veel beschouwers menen dat Alfreds verslag een nauwgezette registratie is. Volgens essayist J. Fontijn is er sprake van 'een exactheid die "wetenschappelijk" aandoet':
| "Tijd, plaats, fysionomie van personen met wie hij geconfronteerd wordt, kleuren, getallen, worden zeker in de eerste helft van het boek tot in details weergegeven.'[15]" |
Van dergelijke exactheid is volgens onderzoeker G.F.H. Raat geen sprake, want hij meent dat 'de noterende stijl' een imitatie is van het registrerend bewustzijn:
| "Alfreds waarnemingen worden vaak terstond bij gekleurd door gedachten en associaties.' Als voorbeeld noemt hij Alfreds vermoedens, op de eerste pagina, aangaande 'de oorzaak van de verminking en de vergelijking van het oor met een navel. Elders in de roman nemen dergelijke gedachten zelfs de omvang aan van 'een monologue intérieur, bijvoorbeeld als Alfred een kranteartikel heeft gelezen over iemand die hij kent.[16]" |
De scherpe waarneming door de ik-verteller is op twee manieren te verklaren. Ten eerste is Alfred 'geoefend in het zorgvuldig observeren van zijn werkelijkheid, inclusief de plaats die hij daarin inneemt.' Ten tweede is hij 'zeer egocentrisch', want hij streeft fanatiek een doel na en onderwerpt zijn doen en laten 'steeds weer aan een meedogenloze analyse', een gewoonte die nog wordt versterkt 'door de angst inferieur te zijn aan zijn tochtgenoten'.[17] Raat ziet een verband tussen deze observatiewijze en andere eigenschappen van de hoofdpersoon. Alfred doet van moment tot moment verslag, is sterk op zichzelf geconcentreerd en 'inspecteert zichzelf doorlopend, in het kader van zijn speurtocht naar wie hij is en kan zijn. Zijn geologische onderzoek is in feite zelfonderzoek'.[18] Alfred kijkt bij wijze van spreken voortdurend in de spiegel, een houding die een equivalent vindt in de verteltechniek van de roman: eerste persoon, onvoltooid tegenwoordige tijd. De gelijktijdigheid van ervaren en vertellen 'vertoont een opvallende analogie met de situatie waarin iemand zijn spiegelbeeld gadeslaat.'[19]
Structuur[bewerken]
Criticus Paul de Wispelaere onderscheidt een dubbele structuur. De eerste structuur is het van moment tot moment registrerende en denkende bewustzijn van Alfred dat zich uit in 'notities, inwendige monologen en gesprekken' en zich ontwikkelt 'naar een onbekende afloop.' De tweede structuur komt voor rekening van de auteur die het geheel overziet en gebruikmaakt van 'anticiperende en terugblikkende elementen, haast onmerkbare suggesties doet meetrillen en een ordening van contrasterende effecten aanbrengt buiten het bewustzijnsverloop van het personage om.'[20] Van deze hechtheid geeft essayist J. Fontijn een voorbeeld. In het begin zegt professor Nummedal tegen Alfred: 'Theorieën heb ik zien gaan en komen als de wilde ganzen en de zwaluwen.' Tegen het slot van de roman, wanneer Alfred doordrongen is van de mislukking van zijn poging om bewijs te vinden voor de theorie van Sibbelee, signaleert Alfred: 'Een troep wilde ganzen vliegt laag over mij heen.' Volgens Fontijn gaat het niet zomaar om een natuurbeschrijving, maar moet deze worden bezien in verband met Nummedals eerdere woorden.[21] Wat op het eerste gezicht lijkt op 'een spannend reisverhaal, blijkt ten slotte een hecht gecomponeerde "klassieke" roman.'[22] In zijn boekje over de roman meent ook August Hans den Boef dat 'het reportagekarakter bij nadere beschouwing van oppervlakkige aard is.'[23]
Ook Hella Haasse sluit zich aan bij de karakterisering dat achter het feitelijke reisverslag van Alfred een organiserende hand verantwoordelijk is voor de hechtheid die bij een roman en niet bij een reisverslag hoort.[24] Dit bewustzijn manifesteert zich eenmaal 'op zeer expliciete wijze, als hij de leek aanraadt zelf maar op te zoeken wat schisteus gesteente is.'[25] Ook volgens Raat komt deze passage niet voor Alfreds rekening.[26]
Eenmaal wordt het perspectief van Alfred doorbroken, namelijk wanneer het meisje Inger-Marie de Noorse notities van Arne voor Alfred vertaalt. 'Het boekje van Arne stelt de lezer, opgesloten in Alfreds wereld, in staat de hoofdpersoon te zien door de ogen van een ander.'[27] Raat noemt dit dagboekje het enige 'corrigerend perspectief' op Alfreds visie.[28] Naast deze correctie, die erop neerkomt 'dat Arne een veel positiever beeld van Alfred had dan deze zelf verwachtte', signaleert Den Boef ook nog de brief aan Alfred van zijn moeder als doorbreking van het perspectief.[29]
Met het tijdsverloop als uitgangspunt ziet Haasse een drievoudige structuur: behalve de reisreportage zijn er Alfreds herinneringen, die de gegevens verschaffen dat het grondpatroon van zijn leven duidelijk maakt, en nog een derde vorm van bewustzijn, namelijk de gemoedstoestand waarin Alfred zich bevindt als hij Arne kwijt is en geheel op zichzelf is aangewezen.[24]
Datering van de verhaalwerkelijkheid[bewerken]
In de roman wordt niet vermeld welk jaar het is. Alfreds vader is kort na juli 1947 overleden en toen was Alfred zeven jaar oud. Alfred is dus in 1940 geboren. Ten tijde van de expeditie is hij 25 jaar oud, zodat het 1965 moet zijn.[30] Berekening aan de hand van buitentekstuele gegevens levert een andere uitkomst op. Op vrijdag 15 juni bezoekt Alfred Nummedal. Die datum viel dertien keer op een vrijdag in de twintigste eeuw, maar niet in 1965. Aangezien het Modern Jazz Quartet ter sprake komt en Alfred in hoofdstuk zeven op zijn hotelkamer naar een transistorradio luistert, moet 1962 het jaar zijn.[31]
Wel bestaat overeenstemming over de vraag hoeveel tijd er verstrijkt tussen het bezoek aan Nummedal en Alfreds aankomst in de familiekring aan het slot, namelijk drie weken. Precies is dat niet vast te stellen, omdat de zon in het gebied niet ondergaat en Alfreds horloge, het enige oriëntatiepunt hieromtrent, onklaar raakt. Het bezoek aan Nummedal vindt volgens Den Boef op 15 juli plaats en volgens het Hermans-magazine op 15 juni, zodat Alfreds aankomst rond 5 augustus respectievelijk omstreeks 7 juli plaatsvindt.[32][33]
Het tijdsverloop in de roman wordt benadrukt doordat Alfred vaak op zijn horloge kijkt en zich ook verder overmatig van de tijd bewust is. Als zijn horloge onklaar raakt heeft Alfred geen besef meer van tijd, maar ook geen zorgen meer hierover.[34]
De verhouding tussen Alfred en Arne[bewerken]
Als Alfreds gids vervult Arne 'duidelijk de rol van diens meerdere'. Hij beweegt zich vaardiger door het ruwe landschap.[35] Zodra ze met zijn tweeën zijn overgebleven, wordt het overwicht ondraaglijk voor Alfred. Arne neemt steevast de zwaarste last op en ook is Alfred jaloers op het tekentalent van zijn kompaan, in wiens gezelschap Alfred zich een 'brekebeen' voelt.[36] Toch signaleert Haasse ook parallellen tussen de twee: beiden lijken op kinderen, omdat zij, anders dan Mikkelsen en Qvigstadt, met hun voornaam worden aangeduid, beide voelen het gewicht van hun vader zwaar op hen drukken en hebben een onvolledige uitrusting. Beiden zijn zich er zeer van bewust afkomstig te zijn uit kleine landen die in de wereld geen rol spelen. Hun eigen talen zijn een soort kindertalen, alleen in gebrekkig Engels kunnen ze enigszins met elkaar communiceren.[37]Ook Den Boef merkt parallellen tussen de twee op, terwijl hij in Arne ook een soort vaderfiguur ziet waarvan Alfred zich probeert te bevrijden.[38]
Raat taxeert de houding van Alfred tegenover Arne als een geval van 'gemengde gevoelens', waarbij het verlangen naar Arnes goedkeuring soms met de nodige humor onder woorden wordt gebracht, zoals wanneer Alfred een rivier oversteekt: 'Ik ben er over. Ik sta naast Arne. Hij houdt fototoestel en kaartentas vast aan de riemen en hangt ze mij om alsof het ridderorden waren.' De tweede zin moet hier ook worden verstaan in de betekenis: gelijkwaardig zijn.[39]
Thema's en motieven[bewerken]
Haasse acht de hoofdpersoon Alfred Issendorf, 'zijn naam zegt het al', 'te dorps' voor zijn taak en daarom 'niet opgewassen tegen de listen en lagen van de Natuur'.[40] Hij moet vele ontberingen doorstaan en krijgt nauwelijks greep op zijn Noorse collega's en de onherbergzame natuurlijke omgeving. Het ontluisterende slot van deze roman kan als typerend voor Hermans' oeuvre worden gezien. Ook op een dieper liggend niveau past het werk binnen de algemene thematiek van Hermans' werk: uiteindelijk blijkt de mens niet in staat om de wereld echt te kennen.
De drie stadia in de ontwikkeling der mensheid[bewerken]
Hoofdstuk 7 bevat een belangrijke passage voor de psychologische interpretatie van de roman, namelijk Alfreds theorie over de drie stadia waarin de ontwikkeling van de mensheid te verdelen is.
Als je mij vraagt zijn er drie belangrijke stadia in de geschiedenis van de mens.
In het eerste kende hij zijn eigen spiegelbeeld niet, evenmin als een dier dat kent. (...) Tweede stadium: Narcissus ontdekt het spiegelbeeld. Niet Prometheus die het vuur ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus. Voor het eerst ziet 'ik' zich 'zelf'. (...) Het derde stadium begint met de uitvinding van de fotografie. Hoe dikwijls gebeurt het dat er een pasfoto van ons gemaakt wordt waarvan wij evenveel houden als van ons spiegelbeeld? Hoogst zelden! Voordien, als iemand zijn portret liet schilderen en het beviel hem niet, kon hij de schuld aan de schilder geven. Maar de camera, weten wij, kan niet liegen. (...) Dat is het derde stadium: het voordien vrij zeldzame twijfelen aan zichzelf, laait op tot radeloosheid. De psychologie komt tot bloei.[41] | ||
| — Alfred Issendorf | ||
Alfred begint in het derde stadium en bereikt het tweede als hij Arne kwijtraakt, zijn fototoestel is dan net onklaar geraakt. Er is weer sprake van een symmetrische verhouding tussen het ik en het zelf. Wanneer hij ook zijn kompas en daarmee het spiegeltje kwijtraakt, bevindt hij zich in het eerste stadium: zijn omstandigheden zijn primitief als die van de eerste mensen, hij piekert minder en komt voor het eerst in harmonie met de natuur. Hij baadt nu in 'liefderijk water' waar aan het begin de douche 'een harde borstel van water' was.[42]
Communicatie[bewerken]
Taalproblemen spelen een grote rol. Alfred spreekt geen Noors en veel andere personages spreken een voor hem onverstaanbaar Engels. Zijn Noorse reisgenoten spreken uit beleefdheid meestal Engels, maar soms ook Noors en dat versterkt Alfreds achterdocht. De taalproblematiek strekt bij Hermans altijd verder dan de concrete situatie en is 'van meer algemene aard, een sterke exponent van de geringe mogelijkheden voor mensen om met elkaar te communiceren.'[43]
Motieven[bewerken]
Een netwerk van samenhangende motieven verleent de roman hechtheid en de details functionaliteit. Onderzoeker Den Boef levert de volgende inventaris:[44]
- Wetenschap: omdat de roman een wetenschappelijke expeditie beschrijft, is de wetenschap een regelmatig gespreksonderwerp van de personages. Er vallen namen als Heiskanen (geoloog), Sauerbruck (chirurg), Buys Ballot, Christiaan Huygens, Galilei.
- Ontdekkingsreizigers: genoemd worden Columbus, Zuidpoolpioniers Scott en Amundsen, Stanley en Livingstone, Thor Heyerdahl. Oftedahl stelt dat geologen de laatste overgebleven ontdekkingsreizigers zijn. Alfred zelf is van plan tijdens zijn reis een opzienbarende ontdekking te doen.
- Alchemie: volgens Nummedal verloochent de ware geoloog zijn afkomst van goudzoeker nooit helemaal. Alfred overdenkt dat hij 'de steen der wijzen' tracht te vinden.
- Vrijmetselarij: symbolen hiervan zijn bouwkundige en architectonische voorwerpen zoals piramides, kathedralen, hamer, passer, meetlint.
- Sagen: passanten worden vergeleken met figuren uit de Edda van Snorre Sturlason. Zie ook het motief Reuzen.
- Klassieke mythologie:Aeneas en Dido, Alfreds moeder heet Aglaia, in de Griekse mythologie de moeder van een koning. Ook overweegt Alfred het trieste lot van een leraar Grieks, die slechts enkele leerlingen met werkelijke interesse treft.
- Psychoanalyse en zelfbeeld (spiegel): Qvigstad heeft een omgekeerd oedipuscomplex: hij is alleen potent bij negerinnen, volgens hem omdat hij in blanke vrouwen zijn moeder ziet. De Amerikaanse toeriste Wilma legt Alfred uit dat mannen ritssluitingen bij vrouwen opwindend vinden omdat dat appelleert aan hun verdrongen homoseksualiteit.
- spiegel: Alfred ziet in de opklapbare bril van Nummedal vier spiegeltjes, terwijl het instituut van Oftedahl geheel uit spiegelglas is opgetrokken. Ook haalt hij voortdurend zijn kompas tevoorschijn om in het spiegeltje daarvan te kijken.
- Godsdienst: Alfred vindt zijn zusje Eva dom omdat zij gelovig is, Arne heeft het over een boek getiteld Het gezicht van God na Auschwitz, er is sprake van gebouwen met een religieuze functie (hunebedden, kathedralen, piramides), Arne mijmert over een muggenhiernamaals met op een hoge troon het mond-en-klauwzeervirus dat over alles de baas is, Alfred overweegt dat zwarte Amerikanen strijden voor gelijke rechten onder leiding van een dominee, vertegenwoordiger van de godsdienst die de verdrukking juist legitimeert. In de gesprekken met Qvigstad en Mikkelsen worden ook nog een aantal scheppingsmythen besproken.
- Vis: gravlaks, zalm die enige tijd begraven is, zou een doodsymbool zijn, Hvalbiff blijkt walvissenvlees te betekenen, bovendien vangt Alfred eenmaal alleen honderden vissen in zijn net.
- Kunst: herhaaldelijk worden wetenschap en kunst met elkaar vergeleken; recensenten van romans, zoals de moeder van Alfred, worden met oplichters vergeleken; als jongetje wilde Alfred fluitist worden.
- Stenen: uiteraard verwijzingen naar meteorieten, maar ook naar het Stenen Tijdperk met hunebedbouwers; mannen met het woord steen in hun naam: Wittgenstein, Livingstone en Flintstone, bij de laatste speelt ook het Stenen Tijdperk mee; Arne vertelt over de Noorse gewoonte een spoor met steentjes te markeren.
- Reuzen: het landschap wordt geregeld beschreven alsof het door reuzen is gemaakt. Zo is het kloofdal een soort amfitheater voor reuzen, is het net of een reusachtige hand de begroeiing van de berg heeft weggemaaid en is Alfreds visnet precies een enorm spinnenweb.
- Een klein land: herhaaldelijke vergelijking tussen Nederland en Noorwegen over het nadeel klein te zijn.
- Taal: Engels neemt een bijzondere plaats in, omdat de Noren zich in die taal tegen Alfred richten. Ook probeert hij onderweg naar Noorwegen iemand te helpen die Engels uit een boekje probeert te leren. Het niet verstaan van het Noors leidt tot onzekerheid en wantrouwen bij Alfred, die niet alles kan volgen wat zijn medereizigers tegen elkaar zeggen.
- Vallen: Herhaaldelijk wordt op (bijna) vallen gezinspeeld. De vader van Alfred stierf als gevolg van zijn val. Ook Arne stierf als gevolg hiervan. Alfred scheurde zijn been open door zijn val.
Waardering[bewerken]
Bij de publicatie in 1966 oefenden enkele besprekers, onder wie Adriaan Morriën, kritiek uit op de opbouw van de roman. Zij zagen de dood van Arne aan voor de climax van de roman en beschouwden het vervolg als overbodig. Volgens onderzoeker Den Boef zijn daar argumenten tegen aan te voeren. Zo zou deze kritiek de cyclische structuur van de roman miskennen: juist het vervolg wijst uit dat Alfred er niet in geslaagd is te ontsnappen uit het gezin. Wanneer de roman met de dood van Arne zou eindigen, zou het boek veel meer de gedaante van een avonturenroman gekregen hebben. De roman gaat in Den Boefs optiek dan ook niet zozeer over een mislukte geoloog, maar over 'iemand die uiteindelijk de geologie als zodanig niet meer belangrijk vindt'.[47] Ten slotte wijst hij nog op de hechte wijze waarop het gedeelte na de dood van Arne met motieven en verwijzingen met de rest van de roman samenhangt.[48] Binnen enkele jaren werd de roman in brede kring als een meesterwerk beschouwd.[47]
Vijverbergprijs[bewerken]
In maart 1967 kende de Jan Campertstichting Hermans de Vijverbergprijs van ƒ 2500 toe voor Nooit meer slapen. Hermans reageerde per brief:
Wilt u zo goed zijn dit bedragje even over te schrijven op postgiro 100200 ten name van Eten voor India? Dit bespaart mij een hoop rompslomp en vrijwaart, mogelijkerwijs, een of twee leden van uw jury voor een slecht geweten. Ik dank u voor de te nemen moeite. Ik zal een roman over u schrijven onder de titel "Wel te rusten". Met vriendelijke groet,[49]
| ||
| — Willem Frederik Hermans | ||
Vertalingen[bewerken]
Van de roman zijn vertalingen verschenen in de volgende talen:
- Chinees (Nan yi rushui, 2011, vertaler Guoliang Guo)
- Duits (Nie mehr schlafen, 1982, vertaler Rosemarie Still, en 2002, vertaler Waltraud Hüsmert)
- Engels (Beyond Sleep, 2006, vertaler Ina Rilke)
- Estisch (Igavene uni, 2004, vertaler Kerti Tergem)[50]
- Frans (Ne plus jamais dormir, 2009, vertaler Daniel Cunin)
- Hebreeuws (Lo lisjon le-olam, 2011, vertaler Ran HaCohen)
- Hongaars (Soha többé alvás, 2007, vertaler Krisztina Törő)
- Italiaans (Alla fine del sonno, 2014, vertaler Claudia Di Palermo)
- Noors (Aldri sove mer, 1992, vertaler Eva Paasche)
- Sloveens (Nikoli vec spati, 2002, vertaler Mateja Seliškar)
- Spaans (No dormir nunca más, 2010, vertaler Catalina Ginard Féron)
- Tsjechisch (Už nikdy spánek, 2011, vertaler Magda de Bruin-Hüblová)
- Zweeds (Aldrig mera sova, 1968, vertaler Brita Dahlman)
De Zweedse vertaling was aanleiding voor de criticus Rolf Yrlid om zich af te vragen of de Nobelprijs voor de literatuur naar Nederland zou gaan. De Duitse vertaling van 1982 werd door criticus Joseph Quack omschreven als niet alleen vol met 'fonkelende observaties', maar 'voor alles een spannend verhaal'.[51]
Verfilming[bewerken]
Op 27 januari 2016 ging de Engelstalige verfilming van het boek in première onder de titel Beyond Sleep, in een regie van Boudewijn Koole en met Reinout Scholten van Aschat in de hoofdrol.[52] De première op het Filmfestival van Rotterdam, waar Beyond Sleep de openingsfilm was, werd bijgewoond door koningin Máxima.[53] De andere rollen in de film worden gespeeld door Pål Sverre Hagen, Thorbjørn Harr en Anders Baasmo Christiansen.[54] NRC Handelsblad noemde de wereldpremière '[d]e aangenaamste verrassing van de avond' en typeerde de film als 'een autistische trip' en een 'verrassend goede Hermans-verfilming'.[55] HP/De Tijd sprak van 'de beste IFFR-openingsfilm in jaren' en waardeerde de film met vier uit maximaal vijf sterren. Het slot is volgens het blad 'van een ontroerende eenvoud'.[56] Screendaily, de webversie van het Engelstalige filmblad Screen International, meende dat de commerciële kansen van de film kleiner werden omdat de adaptatie 'dials down the droll humour of the book in favour of a nervy sense of building dread', maar vond ook dat 'the impassive beauty of the mountainous Norwegian backdrop' ten volle werd uitgebuit en dat het geluidsontwerp 'really crucial' was.[57]
Twee weken later verschenen de dagbladrecensies. Eric le Duc sprak in De Telegraaf van een mislukking, omdat het boek nauwelijks te verfilmen zou zijn: 'waar het rijke meesterwerk van Hermans uitblinkt in trefzekere beschrijvingskunst, intellectuele beschouwingen en scherpe humor, serveert Koole een strooptrage en saaie zielequeeste.' De regisseur bedient zich vooral van een 'fantasieloze monologue intérieur', met als resultaat een, in weerwil van de titel, slaapverwekkende film.[58] Precies tegenovergesteld was het oordeel van Berend Jan Bockting in de Volkskrant, die sprak van ondanks een 'stroeve start, een geslaagd, invoelbaar en op enkele momenten zelfs meeslepend portret van een verwarde en verdwaalde ziel'. De film komt op gang 'als de zoemende muggen meer en meer de geluidsband kapen' en de Noren niet langer worden ondertiteld, zodat de niet-Noorse kijker rechtstreeks met Alfreds positie wordt geconfronteerd. Daardoor wordt het toenemende wantrouwen en de door het voortdurende geluid van 'borrelend water en getik van secondewijzers' begeleide gedachtenstroom van de in zichzelf pratende hoofdpersoon alsmaar 'organischer en vanzelfsprekender'. 'Fraai zijn de wandelscènes met dat hoofd in close-up, dat van zo dichtbij gefilmd als het ware op en neer danst.' Hoofdrolspeler Scholten van Aschat 'bewijst een film te kunnen dragen.'[59]
Trivia[bewerken]
- Nooit meer slapen werd in 2007 als nummer 6 opgenomen in de lijst van beste Nederlandstalige boeken aller tijden;
- De in 2010 verschenen audio-versie van Nooit meer slapen wordt voorgelezen door Ruprecht Hermans, zoon van W.F Hermans.
- Sinds 2014 zendt de VPRO onder de titel Nooit meer slapen op weekdagen een cultureel radioprogramma uit
Abonneren op:
Posts (Atom)








